Boris van der Ham, scherper en geslepener dan ooit

‘Boris! Boris! Boris!’, klonk er massaal in kasteel De Berckt toen Boris van der Ham de oeuvre-award van de Jonge Democraten in ontvangst nam. Scherp, vrijzinnig en altijd in voor een biertje: JD’er pur sang. Jarenlang zette hij zich in voor de vereniging. Ook nu nog vult hij jaarlijks vele avonden in de honken van de verschillende JD-afdelingen. Enkele dagen voor het lustrumweekend sprak de DEMO Boris. Eén ding is duidelijk: het ex-Kamerlid zit vol vuur. ‘Politici worden pas echt goed op het moment dat ze meer hebben meegemaakt.’

B

Slechts vijftien jaar was de jonge Boris van der Ham, toen hij zich aanmeldde bij de D66 en de Jonge Democraten. Een kleine tien jaar later werd – de nog steeds jonge – Boris voorzitter van de Jonge Democraten. Tussen 1998 en 2000 viel hij met zijn JD  op door studentendemonstraties en vele acties. Daarnaast voerde hij het combilidmaatschap met de D66 in, dat vele nieuwe leden voor de jongerenorganisatie betekende. ‘Tot op de dag van vandaag’, stelt hij trots.

We spraken Boris op de bovenste etage van de Openbare Bibliotheek Amsterdam, met uitzicht over de prachtige binnenstad. Zo benaderbaar als Boris voor veel Jonge Democraten is, zo is hij dat ook voor willekeurige voorbijgangers . Terwijl de catering nog amper de koffiemachines heeft aangesloten, zijn er zo al drie personen die iets van Boris willen. ‘Wacht even hoor Mart. Dat is mijn geschiedenisdocent.’ Enthousiast vertelt de oude docent aan Boris dat hij een boek schrijft over wandelaars. ‘Een van die wandelaars wil van München naar Parijs gaan wandelen om daar mensen te gaan redden,’ vertelt de docent. ‘Wat een raar idee’, lacht Boris. ‘Als de nood zo hoog is om iemand te redden zou ik toch even het vliegtuig pakken!’

 

Na medewerker te zijn geweest in het Europees Parlement en aan het Binnenhof  kwam Boris bij de verkiezingen van 2002 zelf in de Kamer. In 2012 besloot hij tot een politieke ‘time out’.  ‘Eigenlijk vind ik dat voor een tijdje wel een lekkere positie’, beschouwt hij. ‘Na 10 jaar was het tijd om het politieke toneel van meer afstand te zien. Ik kan tijdens beschouwingen in zalen, op radio, en televisie spreken over standpunten die ik zelf belangrijk vind, maar vooral ook nieuwe ideeën opdoen. Bovendien was ik 28 toen ik de kamer in ging, nog zonder veel verantwoordelijkheden. Nu heb ik zelf een huis, ben ik vader. Je kijk toch weer op een andere manier naar de wereld. Dat is wel verfrissend.’ Hij is op dit moment onder meer voorzitter van het Humanistisch Verbond – de organisatie die atheïsten, humanisten en vrijzinnigen verenigt – en ondernemer.

 

Hij kwam tijdens zijn Kamerlidmaatschap al duidelijk met een eigen geluid. Op structurele wijze probeerde hij tekst en uitleg te geven over zijn visie en zijn werkzaamheden. Ook als er geen verkiezingen in zicht waren. ‘Ik heb altijd volksvertegenwoordiger willen zijn, dus vond het ook belangrijk om met voorkeurstemmen gekozen te worden,’ blikt hij terug. ‘Sommigen vroegen zich af waarom ik – als nummer twee van de fractie – dat zo graag wilde. Waarom zo van me laten horen in de media en via social media? Het is immers de fractievoorzitter die in de ogen van velen het geluid van de partij moet vertolken. Maar daar ben ik het niet mee eens. Ik vind dat je als politieke partij ervoor moet zorgen dat de kiezer niet slechts één iemand van de fractie kent. Je moet het brede scala aan kleuren en geluiden willen laten zien. Dat alles bij elkaar opgeteld is D66. Dat is niet alleen voor de ‘vorm’ leuk, maar ook inhoudelijk belangrijk. Linkse, rechtse, conservatieve en progressieve geluiden in de fractie zijn heel goed voor het complete beeld.’ Volgens Van der Ham gold dit ook voor hem ‘Ik ben tamelijk ‘groen’ op milieu en natuur, maar ben juist weer wat rechtser dan de huidige lijn van D66 op veiligheid en defensie. Ja, ik ben vrijzinnig en liberaal, maar ben niet voor lukrake vrijheid, die je sommigen wel hoort bepleiten. Daarom trok ik samen met de Jonge Democraten op om de alcoholleeftijd naar achttien jaar te verhogen.’ Boris stelt dat een open debat belangrijk is, ook als die soms afwijkt van de heersende partijkoers. ‘Wil D66 de grootste politieke partij worden, dan moet je stevig in je schoenen staan. Dat begint met je eigen ideeën goed doordenken en kritisch te ondervragen. Kamerleden moeten dan dus ook nooit klagen dat ze daarvoor niet ‘voldoende ruimte krijgen’ – het is namelijk je eigen verantwoordelijkheid om die ruimte te nemen.’

 

Bij veel debatten, thema-avonden en landelijke weekenden van de Jonge Democraten is Boris nog steeds een graag geziene gast. Als voorzitter van de ‘vrienden van de JD’, als ex-Kamerlid of gewoon als Boris. De band tussen de JD en Van der Ham lijkt alleen maar sterker te worden in de loop der jaren. De Jonge Democraten gaan hem aan het hart. ‘D66 heeft nog wel eens koudwatervrees om bestaande opvattingen te doorbreken. De Jonge Democraten hebben daar geen last van. Zij waren al veel eerder dan D66 voor het verhogen van de AOW-leeftijd en voor het hervormen van de hypotheekaftrek, bijvoorbeeld. De JD heeft een ongelooflijke meerwaarde door op inhoudelijke punten de koers te veranderen.’

 

Boris suggereert de JD om ook eens kritisch te kijken naar de ouderenzorg. ‘Het klinkt misschien gek, maar juist de Jonge Democraten zouden als eerste vraagtekens moeten zetten bij de aannames die bij dat beleid steeds klinken. De tendens is dat iedereen nu vindt dat oude mensen zo lang mogelijk thuis moet blijven wonen. Als mensen dat inderdaad zelf graag willen, vind ik dat als liberaal natuurlijk prima. Maar nu dreigt het tegenovergestelde te gebeuren. Onder het mom van keuzevrijheid worden mensen feitelijk verplicht thuis te blijven wonen, eigenlijk vanwege enorme bezuinigingsmaatregelen. Sommige ouderen zijn eenzaam, bang om te vallen, soms afgezonderd en alleen. Bij dit soort complexe onderwerpen moet je geen genoegen nemen met het eerste oppervlakkige antwoord van mensen, maar doorvragen. Als je bij sommigen goed doorvraagt of ze nou echt zo gelukkig zijn, hoor je heel andere dingen. Misschien is het voor de Jonge Democraten sowieso wel een mooie taak om eens een mooi stuk te schrijven hoe de laatste tien of twintig jaar van je leven je mooi in kan richten.’

 

Boris maakt zich ook zorgen over de decentralisatie van de gezondheidszorg naar gemeenten. ‘Sommige gemeenten zijn helemaal niet klaar voor die nieuwe taken, en dan komt er ook nog eens een enorme bezuiniging overheen. Dat is vragen om moeilijkheden. Ik begrijp niet dat de coalitiepartijen en de gedoogpartijen deze hervorming zo roekeloos invoeren. Bovendien zijn gemeenten heel verschillend – in grote steden zal dit allemaal wel goed in de gaten worden gehouden door de aanwezig lokale media, maar in grote delen van Nederland ontbreekt het zelfs daar aan. Hier is echt een probleem met democratische controle op miljarden euro’s.’

 

Dat brengt Boris ook richting het onderwerp van zijn nieuwste boek: ‘De Koning Kun Je Niet Spelen’, over het theater van de politiek. In de conclusie ervan stelt hij dat we moeten waken voor het uithollen van de politiek. Boris: ‘Goede politiek en goed theater proberen beiden inzicht te geven in meningsverschillen en ze ten overstaan van het publiek tot een oplossing te brengen. Iedereen zit voor eventjes geconcentreerd naar hetzelfde verhaal te kijken, en als dat goed gebeurt dan zie je dat kijkers en kiezers de overwegingen van de personages serieus te nemen.  Zolang mensen op het podium maar eerlijk hun verhaal vertellen, in alle openheid.  Ook als je van mening verandert, zijn kiezers best bereid je argumenten aan te horen, maar draai er niet omheen. Toon je overwegingen.’ Maar Boris stelt dat er dan wel mensen in de zaal moeten zitten die interesse hebben in dat wat er getoond wordt. ‘In de Tweede Kamer is die interesse er bij kiezers en journalisten wel. Helaas is het zo dat in gemeenteraden, en in Provinciale Staten politici fantastisch werk kunnen doen. Maar als er dan geen kiezers geïnteresseerd zijn, of er geen journalisten zijn om een recensie van hun werk te schrijven, dan heb je wel een probleem. Er is wel een voorstelling, maar er zit niemand in de zaal!

 

In het Europees Parlement zie je hetzelfde probleem. Een theater met 751 acteurs, die allemaal andere talen spreken. Het publiek, journalisten, weten niet waar ze naar kijken, ze verstáán het simpelweg niet. Dat D66 de Europese verkiezingen heeft gewonnen is mooi, maar we moeten waken dat de Europese visie van D66  geen papieren waarheid wordt, en alleen te volgen voor de kosmopolitische fijnproevers. Als het theater van de politiek niet meer te volgen is, dan verliest de politiek zijn relevantie, en blijven veel mensen gewoon weg.’

 

In ‘De Koning Kun Je Niet Spelen’ gaat het niet alleen over de politiek, maar vooral  over het vak van politici. In het boek komen tal van ‘wetten’ voor waar huidige en toekomstige politici wat aan hebben. Moeten politici niet een beetje acteur zijn? Boris heeft recht van spreken om over dit onderwerp iets te zeggen. Hij zat immers lang in de Tweede Kamer, maar studeerde ooit, naast geschiedenis, vier jaar aan de Toneelacademie Maastricht. In zijn boek vertelt hij over de toneelwetten waar politici bewust en onbewust gebruik van maken. Hoewel woord ‘acteur’ vaak een negatieve bijklank heeft in de politiek, stelt Boris dat er juist een tekort is aan goed acteerwerk in de politiek. ‘Een acteur en  een politicus hebben gemeen dat iedereen naar ze zit te kijken. Daar wordt een normaal mens bloedzenuwachtig van, houdt op met nadenken en hapt naar adem. Om onder die druk te blijven ademen, nadenken, en dicht bij jezelf te blijven moet je dus iets bijzonders doen. Het is een misverstand dat ‘acteren’ betekent dat je ‘nep’ bent. Nee, een acteur wordt pas goed gevonden als ‘ie waarachtig is. Dat geldt ook voor een politicus.’

 

Boris vertelt dat zowel politici en acteurs hierbij vaak geplaagd worden door een derde oog. Dat betekent dat je van een afstandje naar jezelf aan het kijken bent, waardoor je niet meer geloofwaardig bent. Eén van de politici die daar volgens Van der Ham veel last van heeft is de voorman van de PVV. ‘Ik heb Wilders een keer los zien gaan tegenover de toenmalige regering, maar vlak na zijn scheldsalvo kwam er een minzaam glimlachje rond zijn mond van ‘goh, dat heb ik goed gedaan’. Dus al dat gescheld was vooral een truc, het kwam niet uit zijn tenen.’

 

‘Ook op de beruchte avond na de gemeenteraadsverkiezingen van 2014 zag je dit bij Wilders terugkeren.  Hij kwam toen met zijn ‘minder minder minder’-Marokkanen uitspraak. Maar het bleek achteraf een strategische actie om geen verantwoordelijkheid te hoeven dragen in Den Haag of Almere. Kijk. Als je dat soort verwerpelijke uitspraken doet, woedend, omdat een Marokkaanse jongen net je fiets heeft gestolen, dan kan ik me er nog iets bij voorstellen, en dan kan je ‘m zo’n uitval nog wel vergeven. Maar bij Wilders is alles gecalculeerd, er is altijd een derde oog. Hij kijkt naar zichzelf als hij spreekt. Dat maakt hem niet waarachtig, waar Fortuyn en Rita Verdonk dat veel meer waren.’

 

Dan komt er opeens een glimlach rond zijn mond. ‘Dion Graus van de PVV is ook een voorbeeld van een oprecht, eerlijk persoon. Hij is heel echt. Het probleem is alleen dat hij ook totaal onvoorspelbaar is. Je weet echt nooit wat hij gaat doen. Hij mist vaak strategie. Tussen dat heel gecalculeerde van Wilders en het wilde hondje dat Graus is moet je dus een evenwicht vinden. ’

 

Boris neemt even de tijd als hem gevraagd wordt welke politici er op dit moment goede acteurs zouden zijn. ‘Hoe langer je in de politiek zit, hoe beter je dat evenwicht weet te vinden. Jan Terlouw kan nu – op zijn tweeëntachtigste – nog steeds een fantastisch politiek verhaal houden. Hij boeit, spreekt mooie zinnen, maar durft ook mensen tegen te spreken. In sommige landen hebben dit soort oudere mensen nog steeds zware politieke functies. In Nederland helaas niet. Enkele jaren geleden hadden we Jan Marijnissen en Femke Halsema in de Kamer. Ook zij kregen dit in hun laatste jaren goed onder de knie. Verder terug nog was Frits Bolkestein, mijn persoonlijke politieke held. Hij had een combinatie van zelfstandigheid en het vermogen om een partij te kunnen leiden. Wat mij betreft staat hij op dezelfde hoogte als Jan Terlouw. Zij schrijven veel en durven zich kwetsbaar op te stellen.’

 

De naam van onze eigen voorman – Alexander Pechtold – is nog niet gevallen. Is dat geen goede acteur? ‘Hij is een mooi voorbeeld hoe iemand groeit in zijn rol. In het begin koos hij soms de rol van een soort partijleider die hij niet was. Hij ging zich associëren met heel gewichtige filosofieën over staatsrecht waar hij eigenlijk helemaal niets mee had. Dat heeft hij gelukkig achter zich gelaten. Hij accepteert zichzelf nu zoals hij is, en heeft inmiddels enorme kennis van zijn dossiers. En hij is bovendien vaak heel grappig! Het zou dom zijn om hem de komende verkiezingen niet ook gewoon naar voor te schuiven als partijleider. Hij is nu beter dan ooit.’

 

Ook politieke jongeren wordt wel eens verweten dat ze een onnatuurlijke rol spelen. Zijn al die tieners en twintigers niet te veel politicusje aan het spelen? Boris herkent dat verwijt wel bij sommige politiek actieve jongeren. ‘Sommige gedragen zich alsof ze vijftig zijn! Die gaan het verkeerde soort politiek nadoen. De kunst is om, net als in de volwassen politiek, je weg te weten, maar tegelijk ook jezelf te blijven. Behoud je frisheid! Pas je niet te snel aan.’ Juist in het vinden van dat evenwicht heeft de JD hem erg geholpen, zegt  Boris: ‘Ik leerde moties schrijven en hoe ik strategisch een meerderheid kan halen. Dat heb ik zeker in de Tweede Kamer gebruikt. Alles wat je meemaakt bij de Jonge Democraten, kom je opnieuw – zij het wat grootschaliger – tegen in de volwassen politiek. Mensen zijn nu eenmaal overal hetzelfde, van het schoolplein tot in de Tweede Kamer. Ambities, jaloezie, maar ook vriendschap. Het actief zijn bij de Jonge Democraten zou je kunnen zien als politieke inenting waardoor je weerbaarder wordt als het er echt op aan komt. Daar doorloop je alle menselijke en politieke processen al een keer.  Ook ik heb natuurlijk in het begin veel fouten gemaakt, maar ik wist hoe moeilijk het was en liet me minder snel uit het veld slaan. Het voorkwam bij mij een aantal potentiële teleurstellingen die je bij sommige nieuwkomers nog wel eens ziet. Met andere woorden: Ik kon meer ‘mezelf’ zijn omdat ik al iets meer wist waar ik in terecht kwam.’

 

Boris is het dan ook niet eens met Sywert van Lienden, oprichter van vernieuwingsbeweging G500, die in dit blad schreef dat politieke jongerenorganisaties als de JD tijdverspilling zijn omdat ze partijtje spelen ‘Initiatieven zoals de G500 zijn heel goed voor een korte-termijn project, maar hebben meestal een kortstondig leven – na  een tijdje hoor je er niets meer van.’. ‘De Jonge Democraten zijn er al dertig jaar, en nog steeds belangrijk. Niet alleen bij het vormen van politiek talent, maar ze blijken al die tijd een voortdurende kwalitatieve impuls voor de politiek te zijn, voor D66 in het bijzonder.’

 

Boris had natuurlijk het liefste de hele ochtend gesproken over zijn nieuwe boek ‘De Koning Kun Je Niet Spelen’. Onder Jonge Democraten worden er altijd al grapjes gemaakt over de verkoopskills van Boris. Hij zal geen presentatie voorbij laten gaan, waarin hij niet even – zij het met een knipoog – refereert aan de boeken die hij geschreven heeft. ‘Uiteraard voor een vriendelijk prijsje’, vertelde hij met een grote glimlach tijdens het lustrumweekend. Maar we willen het ook over een nog veel belangrijker onderwerp hebben: Het Wereld Kampioenschap voetbal. Gaan we winnen en zou Nederland ook dat soort grote sportwedstrijden moeten organiseren?

 

‘Ja en ja’, is het antwoord van Boris. ‘Vroeger als Kamerlid en nu bij mijn huidige werkzaamheden heb ik regelmatig stageplekken vergeven. Ik probeer ze dan te ondervragen op nieuwsgierigheid en ambitie. ‘Vind je dat Nederland een missie naar Mars financieel moet steunen?’ of  ‘Waar ben jij heel goed in?’’ Jonge mensen schrikken van dat soort vragen. Ze zijn wel voorbereid om te vertellen wat ze niet goed kunnen, maar de omgekeerde vraag beantwoorden lijkt lastiger. En toch is dat heel belangrijk. Die vraag moet Nederland zich ook stellen. Niet alleen maar klagen, maar ook durven te formuleren waar wij nou heel goed in zijn of in kunnen worden. Nederland is ongelooflijk rijk, dus moet in staat zijn om de beste sporters op te leiden. Omarm die ambitie dan! En we zijn ontzettend creatief en goed in logistiek. Dus natuurlijk moeten we de ambitie hebben om het WK naar Nederland te halen. Het was ook heel miezerig van de huidige regering om de ambitie los te laten om de Olympische Spelen naar Amsterdam proberen te krijgen. Als Londen het kon, kunnen we het in Amsterdam ook, beter! Probeer een beetje groot te denken. Nederland moet niet bescheiden zijn, we moeten de ambitie hebben om nummer een te zijn. Ook weer op dit WK Voetbal. En ja, natuurlijk moeten we naar Mars.”

Is dit een inleiding om te vertellen dat je binnenkort weer de politiek in wilt?

‘Ooit weer. Maar voorlopig bevalt die frisse neus halen me wel.’

0.00 avg. rating (0% score) - 0 votes